Rotterdammer nog onvoldoende aan zet

Resultaten naar bestuurlijk model Rotetrdam bekend

Ruim twee jaar geleden maakten in Rotterdam de deelgemeenten plaats voor gebiedscommissies. Brengen gebiedscommissies de inwoners van Rotterdam en het bestuur van Rotterdam inderdaad dichterbij elkaar? Krijgen bewoners meer invloed op hun wijk? De antwoorden op die vragen staan in het onderzoeksrapport ‘Een kwestie van kiezen’ dat mevrouw I.E. (Ingeborg) Hoogveld, voorzitter van de stuurgroep namens de raad, vandaag overhandigde aan de voorzitter van de gemeenteraad.

 Het huidige bestuursmodel moet invulling geven aan de Rotterdamse kernwaarden als bestuur dichtbij de burger en participatie van Rotterdammers bij beleidsvorming en uitvoering. Uit het onderzoek blijkt dat die doelen niet gehaald worden en de burger onvoldoende aan zet is.

Meer invloed, minder macht

De overgang van de deelgemeenten naar 14 gebiedscommissies vatte de gemeente samen onder de noemer: ‘meer invloed, minder macht’. De gebiedscommissies kregen een minder formele positie: zij kregen een rol als adviseur en zijn als verlengstuk van het gemeentebestuur een vertegenwoordiger van de stad in het gebied. Onder leiding van het Dutch Research Institute for Transition (DRIFT) van de Erasmus Universiteit Rotterdam is namens de gemeenteraad in de periode mei tot en met november 2016 diepgravend gekeken naar het functioneren van de gebiedscommissies in hun bredere maatschappelijke en bestuurlijke context. Op basis van tientallen interviews, participatieve sessies en drie enquêtes met direct betrokken gebiedscommissieleden, ambtenaren, politici, professionals en Rotterdammers is een beeld ontstaan van de huidige staat van het bestuurlijke systeem en de lokale democratie in Rotterdam.

 Het bestuursmodel in de praktijk

Er is een toenemende behoefte aan het creëren van betrokkenheid en ruimte voor mondige, ondernemende en betrokken burgers om invloed uit te oefenen op hun leefomgeving, de stad en het bestuur hiervan. Juist op het lokale niveau van buurt en wijk kan hiertoe een meer participatieve en directe democratie ontstaan. De gebiedscommissies kunnen een belangrijke rol spelen in het vormgeven hiervan. De invulling van die rol tot nu toe laat grote verschillen zien en de toegevoegde waarde ervan komt onvoldoende uit de verf. Dat hangt ook samen met de interne competitie binnen het Rotterdamse bestuursmodel. Tussen clusters en gebiedsorganisaties. Tussen gebiedscommissies en gemeentebestuur. Tussen gebiedsdirecteuren en voorzitters. En zelfs tussen gebiedscommissieleden en voorzitters. Het model karakteriseert zich onvoldoende door vruchtbaar samenspel. Dit leidt in de praktijk tot veel nadruk op onderlinge verhoudingen en het bevechten van posities, wat de kwaliteit van het bestuur en het vertrouwen hierin niet bevordert.

Stuurgroep-voorzitter Hoogveld: “De analyse van de onderzoekers is haarscherp. Het zal ongetwijfeld tot een mooie discussie leiden. Maar belangrijkste is dat dit rapport meer dan voldoende handvatten biedt voor iedereen die interesse heeft in dit onderwerp om voorstellen tot verbetering te doen.”

Aanbevelingen

De aanbevelingen van de onderzoekers richten zich op het versterken van de democratie op decentraal niveau. Een krachtige gebiedsvertegenwoordiging is van belang om de invloed en betrokkenheid van Rotterdammers in hun eigen wijk te vergroten. Gebiedsvertegenwoordigers moeten daarom in de eerste plaats veel actiever worden in het organiseren van participatie. De onderzoekers zoeken de oplossing voor de versterking van de gebiedsvertegenwoordiging niet in méér bevoegdheden voor gebiedscommissies. Wel in een grotere herkenbaarheid van de leden van de commissie voor de inwoners. Daarom stellen zij aan de politiek voor om leden van gebiedscommissies op persoonlijke titel aan verkiezingen deel te laten nemen, in plaats vanuit een politieke partij. Op de middellange termijn zien de onderzoekers kansen voor gebieden als proeftuin voor vernieuwende vormen van lokale democratie.

Lokale en decentrale opgaven en de Rotterdammer moeten meer centraal komen te staan. De stad moet ruimte bieden voor gebiedsagenda’s en de ambtelijke ondersteuning moet hierop worden aangepast. Concreet betekent dat minder stedelijk beleid dat in beton is gegoten. Vanuit de centrale stad moeten vooral de ambities benoemd worden en kaders worden gesteld. De nadere invulling van dat beleid moet zo laag mogelijk in de gemeentelijke organisatie belegd worden, oftewel: zo dicht mogelijk bij de Rotterdammers. In de uitvoering van dit beleid moeten vervolgens burgers, ambtenaren en professionals meer in gezamenlijkheid werken.

Het volledige rapport vindt u hier.

Volgens planning komt het rapport, met raadsvoorstel en zienswijze van het college van B&W, op 19 januari 2017 aan de orde in de gecombineerde commissie Gebieden en Veiligheid, organisatie en financiën. De commissievergadering is openbaar en kan live bekeken worden op https://rotterdam.raadsinformatie.nl. Belanghebbenden hebben de mogelijkheid om in te spreken. De gemeenteraad vergadert op 2 februari 2017 over het rapport.

De negenkoppige stuurgroep die de uitvoering en het proces van de evaluatie bewaakt, bestaat uit vier gemeenteraadsleden en vijf voorzitters van gebiedscommissies. Mevrouw I.E. (Ingeborg) Hoogveld is namens de gemeenteraad voorzitter van de stuurgroep. Het onderzoeksteam wordt geleid door prof. dr. D. (Derk) Loorbach van DRIFT. Hij is gespecialiseerd in nieuwe vormen van maatschappelijke sturing, de nieuwe rollen van de overheid en maatschappelijke transities. DRIFT is een werkmaatschappij van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Het onderzoeksteam bestaat verder uit onderzoekers van de vakgroep Bestuurskunde van de Erasmus Universiteit Rotterdam (o.l.v. prof. dr. A. (Arwin) van Buuren en prof. dr. M. (Martijn) van der Steen) en de Faculteit Rechtsgeleerdheid van de Rijksuniversiteit Groningen (prof. dr. S. (Solke) Munneke).